Archief voor ‘Internationale Politiek’ Categorie

De Groote Oorlog – Welke lessen kan Europa trekken uit de Eerste Wereldoorlog?

woensdag, 30 juli 2014

Redevoering gehouden tijdens het congres “1914 Lehre Fur Europa in 21.Jahrhundert op 20 November 2013 in Berlijn. Gepubliceerd in Volker Jacob en Stephan Sagurna, Front 14-18 Der Erste Weltkrieg, Westfalischen Bildsammlungen-Band 7, 2014

Ik kom uit de Belgische provincie West-Vlaanderen waar honderdduizenden gesneuvelden van de Groote Oorlog begraven liggen. Rond de kleine stroom de IJzer hebben miljoenen mannen uit alle continenten vier jaar als waanzinnigen voor een paar honderd meter terreinwinst gevochten. De namen Ieper en Passchenendaele refereren naar de donkerste bladzijden uit de geschiedenis van de oorlog. In de strijd om het dorpje Passchendaele zijn in de herfst van 1917 in de blank staande weiden en onbegaanbare modderzeeën meerdere honderdduizenden slachtoffers gevallen in een geallieerd offensief, waarvoor de Britse generalissimus Haig verantwoordelijk was. Iedereen met een beetje terrein kennis wist dat het tot mislukken gedoemd was. Passchendaele is nog duidelijker dan de slag aan de Somme het voorbeeld van de aanvalsdrift van de generaals die geen rekening hielden met het vijandelijk kanonnenvuur en vooral de overal aanwezige mitrailleurs die een scherm van kogels optrokken, waar geen soldaat door kon. De toenmalige generaals leerden maar langzaam. Toch hadden zij meer dan de politici en de gekroonde hoofden die oorlog veroorzaakt. Het Belgisch leger vocht wijselijk niet mee in de veldslagen rond Passchendaele. Is dat de reden waarom Passchendaele in Vlaanderen – ik schaam me om het te zeggen – vooral bekend is omwille van zijn kaasfabriek en veel minder omwille van de kolossale oorlogsgruwelen.

Ik heb de soldaten van 14/18 nog met mijn grootouders over hun erbarmelijke leven in de loopgraven horen praten. Louis Pauwels, een oudstrijder die door de gas was “gepakt”, heb ik in het huis van mijn grootouders naar adem horen happen en piepen. Kort nadien werd hij ten grave gedragen door zijn kameraden. Isidoor Ducheyne, mijn onderwijzer van het zesde leerjaar was een brancardier tijdens de Groote oorlog. Hij vertelde hoe hij met blote handen in het niemandsland lijken uit het slijk moest trekken en op gevaar van zijn leven ze naar eigen linies moest brengen.

Ook mijn familie ontsnapte niet aan de oorlogswaanzin. Mijn vader was een oorlogswees. Zijn vader en grootvader werden opgepakt en verplicht te werk gesteld in de wouden van oostelijk Duitsland. Mijn grootvader kwam gebroken en ziek terug. Ik zou hem nooit kennen. Hij stierf kort na zijn terugkeer en mijn grootmoeder – zijn weduwe – was niet in staat om zijn bedrijf verder te zetten. Daarmee was ook het lot van mijn vader bepaald: hij kon niet studeren aan de universiteit. Mijn moeder sprak dikwijls over haar twee neven die waren gesneuveld en ik heb talloze keren hun graven gezien op het militair kerkhof van Brugge.

Ik heb dus de overlevende kameraden van de 10 miljoen gesneuvelden nog gekend en vind dat ze eeuwig en met de gepaste eerbied moeten herdacht worden, dat ze nooit vergeten mogen worden. Ze vochten in een onzinnige oorlog en voelden zich eerder slachtoffers dan helden. Onzinnig omdat 21 jaar later een nieuwe en nog afgrijselijker oorlog begon. De vori-ge had niets opgelost en alleen maar nieuwe problemen geschapen. Het had niet geholpen dat de Vlaamse oud-strijders in Diksmuide aan de IJzer een grote toren hadden gebouwd met daarop in vier talen: nooit meer oorlog. Maar moeten ook niet de 40 miljoen burgers die in 1918-1919 aan de Spaanse griep stierven – een gevolg van de oorlog – herdacht worden, en de miljoenen slachtoffers van de Bolsjewistische revolutie en de daarop volgende burgeroorlog, ook een rechtsreeks gevolg van de Eerste Wereldoorlog?

In mijn land zijn vele veldslagen uitgevochten. In 2015 wordt de slag van Waterloo herdacht. Het is dan 200 jaar geleden. Nu en dan halen boeren nog lichaamsresten van de 45 000 gesneuvelden boven. Deze worden niet meer herdacht. Ze behoren tot het domein van de archeologie. Het is te lang geleden! Niemand van de levenden heeft ooit met de oud-strijders van toen gesproken. De eventueel gevallen voorvaderen herinneren we ons niet. We zijn er niet gevoelsmatig bij betrokken. De herdenking wordt een groot spektakel, een groot toeristisch en ook politiek gebeuren. Wat kan Europa uit Waterloo nog leren? Wat uit de Frans-Duitse oorlog van 1870/71, uit de Eerste ereldoorlog, uit de Tweede Wereldoorlog, waar velen van ons nog een gevoelsmatig contact mee hebben? In november 1918 waren sommigen zoals de Fransen en de Britten er van overtuigd dat ze de oorlog hadden gewonnen en een grote buit zouden binnen halen. De oorlog had opgebracht en de zege was glorierijk! Dat was – zoals we weten – een illusie. Pas na de Tweede Wereldoorlog hebben de uitgeputte Europeanen eindelijk geleerd dat ze er geen belang bij hebben elkaar af te slachten en dat ze beter op een of andere manier met elkaar zouden samenwerken.

In 1945 waren er alleen theoretische Europese winnaars. De Sovjets en de Amerikanen waren de echte overwinnaars en gedroegen en gedragen zich als dusdanig. De Verenigde Staten zouden trouwens niet toelaten dat Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië opnieuw met elkaar zouden strijden. Het kan ook niet meer: de NAVO zou het onmogelijk maken.

Maar wat hebben de Verenigde Staten en ook de mensheid geleerd uit de Koreaanse oorlog, de oorlogen in Vietnam, Irak, Afghanistan en de grote en kleine genociden van de voorbije eeuw? Als jong historicus hoorde ik mijn collega’s beweren dat de geschiedenis zich herhaalt. Dus konden we iets leren uit het verleden en fatale fouten vermijden. Ik stond daar sceptisch tegenover. Nu zeggen de collega’s: de geschiedenis herhaalt zich nooit. Steeds zijn de omstandigheden verschillend. Ik geloof dat men uit gelijkaardige situaties wel iets uit het verleden kan leren op voorwaarde dat men zich zeer goed bewust is van de verschillen. Maar dit gebeurt meestal niet.

Dit was wat Neville Chamberlain overkwam als Premierminister van Groot-Brittannië. Hij had lessen getrokken uit het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Hij was er van overtuigd dat deze catastrofe vermeden had kunnen worden door ernstige gesprekken en onderhandelingen in plaats van stoerdoenerij en het afkondigen van de ene mobilisatie na de andere. Daarom voerde hij doelbewust een appeasement policy en vloog driemaal naar Duitsland om met Hitler te praten. Hij weigerde ook aan een bewapeningswedloop deel te nemen en was er na het akkoord van Munchen ( 30 september 1938) vast van overtuigd dat hij een wereldoorlog had vermeden. Nu wordt meewarig over hem gesproken. Hij had geen rekening gehouden met de verschillen: Hitler was de weifelende keizer Willem II niet en het nazisme was een fanatieke politieke beweging. De hypothese dat indien Chamberlain samen met de Fransen in 1938, aan Hitler de oorlog had verklaard, dat dan de geschiedenis heel ander zou verlopen zijn, lijkt zeer waarschijnlijk. Maar kunnen we dat Chamberlain echt kwalijk nemen? Hij wou lessen trekken uit het verleden. Stalin deed dit ook. Hij dacht dat Duitsland had geleerd uit WOI en zich nooit meer aan een tweefrontenoorlog zou wagen. Daarom zou Hitler Stalin niet aanvallen zolang Groot- Brittannië niet was verslagen of met Hilter een akkoord had gesloten tegen de Sovjet-Unie. Dit was de logica zelve. Maar Hitler hield er een eigen logica op na.

Landen en politici leren zo weinig, nu ook nog. Uit de ervaringen in Vietnam hadden de Amerikanen moeten leren dat ze in Irak niet moesten binnen vallen. Uit hun ervaringen in Irak hadden ze moeten weten dat ze uit Afghanistan moesten wegblijven, zeker na wat de Sovjets er hadden meegemaakt. Zijn wij Europeanen nu verstandiger? Moet Europa niet vooral leren uit de resultaten van de conferenties van Versailles en andere in 1919-1920 en doen zoals President Wilson het wou: het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren respecteren en geen volkeren bij elkaar voegen, die niet bij elkaar willen horen. Die dus een verschillende mentaliteiten en waarden hebben. Europa mag niet een nieuwe Donaumonarchie worden waar op de duur vele volkeren uit weg willen. Kan vermeden worden dat grote landen of culturen zullen domineren en de kleinere – dikwijls tegen hun belangen in – naar hun pijpen zullen moeten dansen?

Onder een aantal Europese leiders en bureaucraten ontstaat duidelijk een mentaliteit die ik Europees nationalistisch durf te noemen. Ze willen een sterk verenigd Europa met een sterk verenigd Europees leger. Zonder dat leger zouden we niet kunnen meespelen met de groten in de wereld. Dit is precies wat alle belangrijke Europese landen in de aanloop van de Eerste Wereldoorlog dachten en deden. Dus een leger met atoomraketten, atomaire vliegdekschepen, drones en geheime diensten die iedereen in de wereld afluisteren. Dit leger moet dan nu en dan uit de kast gehaald worden en optreden of toch tenminste dreigen dat te doen. Slechts dan kan macht uitgeoefend worden. Kan niet gevreesd worden dat nationalisme met een sterk leger kan verglijden tot imperialisme?

Zou dit Europees nationalisme niet het nationalisme van één of enkele machtige staten met wat onderdanige bondgenoten en meelopers kunnen zijn? In het verleden is het begrip “Europa” nog wel eens meer gebruikt voor de ambities van één natie. Zou dit leger nu in Syrië optreden dat onder Europese curatele zou worden geplaatst en zou dit leger in Egypte de ware democraten – dat zijn dezen die wij genegen zijn – aan de macht brengen? Zouden we nu samen en op voet van gelijkheid met de Amerikanen in Afghanistan onze terugtocht voorbereiden? Of zouden we er wijselijk niet aanwezig zijn? Maar zou iedere Europese staat, of volk wel akkoord gaan met de oorlogsdoelen van dat leger? Zouden bepaalde troepen niet willen vechten en deserteren zoals in de Eerste Wereldoorlog het geval was? Maar zouden de Verenigde Staten ons wel toelaten dat Europees leger op te richten? Zouden Rusland en China zich niet bedreigd voelen en zou er – zoals in de jaren voor 1914 – geen wapenwedloop ontstaan en zou daardoor de spanning in de wereld niet worden opgedreven?

Kunnen we echt iets leren uit een oorlog die 100 jaar geleden begon? Misschien wel. Een zaak weet ik zeker: vergeten mogen we niet. Maar dat was ook met Waterloo zo. Inderdaad het historisch feit zijn we niet vergeten, maar we voelen niet meer mee met de slachtoffers die voer voor de archeologen zijn geworden. Na 100 jaar kan ook de Groote Oorlog die weg opgaan. Willen we dat wel?

Regio’s hebben géén leger, voeren géén imperialistische politiek en staan dicht bij de bevolking. Veelal staan ze in voor onderwijs en cultuur. Ze vertegenwoordigen de zachte waarden en zijn bij uitstek pacifistisch. Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts, Wallonië en Vlaanderen stonden bovendien in een verschillend kamp tijdens de Groote Oorlog. Om al die redenen zijn ze bij uitstek geschikt om de Groote Oorlog samen te blijven herdenken.

Yvan Vanden Berghe

De kracht van het paradijs – Jonathan Holslag

woensdag, 30 juli 2014

Yvan Vanden Berghe bespreekt het werk van Holslag voor de Internationale Spectator, 2014. Lees: De kracht vh paradijs_JHolslag_boekbespreking

45 jaar Europese deling door Koude Oorlog ( 1946-1991)

dinsdag, 29 juli 2014

Verschenen in Dirk Callebaut, Horts van Cuyck, De erfenis van Karel de Grote 814-2014, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 2014, pp 381-390

 

De spanningen tussen de kapitalistische wereld en de socialistische begonnen met de geslaagde communistische revolutie in Rusland 1917. Er was toen nog geen sprake van Koude Oorlog maar beide blokken vreesden en bestreden elkaar. Kort na WOI braken vooral in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije communistische opstanden uit die mislukten Er volgden nog heel wat incidenten.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) werd ten onrechte gevreesd dat Stalin zijn opmars begonnen was in West-Europa. Maar vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog groeiden de spanningen tussen de bondgenoten (Britten, Amerikanen en Sovjets) tegen Hitler. Vooral het feit dat de Amerikanen en Britten pas in juni 1944 een tweede front openden door de landing in Normandië zette veel kwaad bloed bij de Sovjets. Dit front was bedoeld om de druk van het Duitse leger op de Sovjet-Unie te verlichten en was beloofd voor1943.

Het ijzeren gordijn

Toen in mei 1945 de nazi’s vooral door het Rode Leger waren verslagen, bleken er geen sterke Europese staten meer te bestaan. De Verenigde Staten waren de enige echte supermacht en aanvaardden na een tijdje de onbeperkte sovjetinvloed in Oost-Duitsland en Centraal- en Oost-Europa niet langer Het Rode Leger had de voormalige bondgenoten van Hitler:Roemenië, Bulgarije en Hongarije verslagen en bezet. De Sovjets hadden eveneens de Duitse troepen uit Polen, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije verjaagd en bleven deze landen aanwezig. Uiteraard waren ze ook aanwezig in Berlijn, oostelijk Duitsland en Oostenrijk.

Het toen gerezen Centraal- en Oost-Europese dilemma was niet op te lossen. De Sovjets vreesden voor een nieuwe Duitse aanval op hun land. Stalin en zijn trawanten hadden al twee oorlogen met Duitsland meegemaakt en bleven gebiologeerd door een mogelijk revanchisme van een nieuwe Duitse generatie. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië toonden hiervoor begrip en aanvaardden op de conferenties van Teheran, Jalta en Potsdam dat Centraal- en Oost-Europa als een soort van dam tegen die mogelijke aanval tot de sovjetinvloedssfeer mochten blijven behoren. Ze verlangden evenwel dat die landen op een democratische manier zouden bestuurd worden. en dachten dat de Sovjet-Unie dat beloofd had. De Sovjets ontkenden dit want het zou hen in een moeilijke positie plaatsen. Democratisch gekozen Centraal en Oost-Europese regeringen zouden immers meteen proberen aan de sovjetinvloed te ontsnappen. Omdat de Sovjets dus geen democratische regeringen toestonden, ontstonden heel wat spanningen met de Angelsaksers.

Het bleek ook onmogelijk een algemeen aanvaardbare oplossing voor het in vier bezettingszones verdeelde Duitsland te vinden. Frankrijk wou een sterk verzwakt en liefst opgedeeld Duitsland; Groot-Brittannië en de Verenigde Staten wilden vooral zo snel mogelijk de Duitse economie op gang trekken om de Duitsers niet meer op hun kosten te moeten onderhouden. Stalin wou de Duitse eenheid behouden om controle over geheel Duitsland en vooral over de industrie van het Ruhrgebied te kunnen blijven uitoefenen. Hij wou Duitsland plunderen om zijn eigen vernielde land opnieuw te kunnen op bouwen.

Omdat de vier partijen tot geen overeenkomst kwamen, besloten de drie westerse bezettingsmachten de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk in 1948 op het grondgebied van hun zones een nieuwe West-Duitse staat op te richten. Dit grootste en rijkste gedeelte van Duitsland zou er economisch weer bovenop geholpen worden en het westerse kamp aanzienlijk versterken. De Duitsers die in de sovjetbezettingszone woonden, werden dan maar aan hun lot overgelaten.

De Berlijnse blokkade (1948-1949) was een vertwijfelde en mislukte poging van Stalin om de stichting van een afzonderlijke West-Duitse staat te verhinderen. Voor een voldongen feit geplaatst, kon hij niet anders dan erg tegen zin de Duitse Democratische Republiek( DDR) op te richten die dan ook maar moest opdraaien voor de aan Stalin toegekende herstelbetaling. Omdat er geen andere oplossing was, werd het kwetsbare Berlijn, dat helemaal in de DDR lag, in twee delen opgesplitst: West-Berlijn, een venster op de welvarende West-Duitse democratie en het arme Oost-Berlijn, de hoofdstad van de grimmige DDR. Omdat een akkoord over het statuut van West-Berlijn en de toegangswegen tot de stad uitbleef, bleef de situatie in Berlijn, dat theoretisch nog door de vier machten bezet was, gespannen.

De Amerikanen beloofden- na enige aarzeling – als dam tegenover de blijvende sovjetaanwezigheid in Centraal-en Oost-Europa, ook in West-Europa een belangrijke krijgsmacht te blijven legeren. Vooral de Britten vroegen hen uitdrukkelijk dit te doen.

Met het Marshallplan (1947) wilden de Verenigde Staten de West-Europeanen, en vooral de West-Duitsers, zo snel mogelijk economisch in staat stellen om een aanzienlijke legermacht tegen de Sovjets op te stellen. Op die manier konden de Amerikanen zich beperken tot een goedkope, vooral atomaire militaire aanwezigheid. Dit was ook de teneur van het NAVO-verdrag (1949) een militair pact dat onder leiding van de Verenigde Staten startte met een twaalftal West-Europese leden. Het pact was louter defensief bedoeld.

Het Marshallplan en de NAVO bevestigden de paranoïde wereldvisie van Stalin: het Westen wou Centraal- en Oost-Europa aan de Sovjets ontfutselen. Erger nog, het Westen was er op uit het socialisme in de Sovjet-Unie te vernietigen en Stalin te liquideren.. Dit was volgens Stalin de diepere drijfveer van het Marshallplan en de NAVO.

De ironie van de geschiedenis wou dat West-Europa op hetzelfde ogenblik een aanval van het Rode Leger vreesde. Stalin, die stabilisatie en een snelle heropbouw van zijn vernielde land voorstond, dacht er niet aan zich in een wereldoorlog te storten. Hij wist maar al te goed dat hij die oorlog door de immense economische superioriteit van het Westen niet kon winnen. Die oorlog zou integendeel de ineenstorting van het sovjetsysteem kunnen veroorzaken. Omdat hij zeker wist dat de Amerikanen sterker waren, dacht hij dat ze daar van gebruik zouden maken om aan te vallen. Ze waren immers zeker van de overwinning. Vermoedelijk zou hij het in hun plaats wel doen.

Tragisch was dat vooral door gebrek aan communicatie beide partijen elkaar ten onrechte als agressor beschouwden. Ook was er geen enkele vorm van empathie: beide partijen konden de visie van hun vijand niet begrijpen. Ze konden niet begrijpen dat de tegenpartij een aanval vreesde omdat ze zelf niet van plan waren aan te vallen. Ook het analogiedenken eiste zijn tol. Beide partijen beleefden opnieuw de Tweede Wereldoorlog. Hitler had hen bedrogen. Waren de nieuwe tegenstrevers niet het evenbeeld van de vroegere vijand en kon men hen ooit vertrouwen?

Dit alles leidde tot een zeer gespannen Oost-West-verhouding en tot de stalinistische gelijkschakeling van Centraal -en Oost-Europa, dat volledig van West-Europa werd afgegrendeld. De Europeanen die in de sovjetinvloedssfeer leefden, ondergingen een wreedaardige terreur. Het spreekt voor zich dat de twee militaire blokken die uit de spanning in Europa ontstonden, de NAVO (1949) en het Pact van Warschau in 1955, opgericht als reactie op de West-Duitse bewapening, door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie werden geleid. Het eveneens defensieve Warschaupact was bijna een kopie van de NAVO.

Het verdeelde West-Europa was machteloos en verspilde een eventuele kans tot evenwaardig partnerschap met de Verenigde Staten binnen de NAVO door de Europese Defensiegemeenschap niet goed te keuren (1954). De eeuwige rivalen Groot-Brittannië en Frankrijk wilden hun volledige militaire soevereiniteit behouden maar kwamen daardoor in een inferieure positie ten aanzien van de Verenigde Staten. De economische eenmaking van de kernlanden van West-Europa kwam wel tot stand (1957), zij het in eerste instantie zonder Groot-Brittannië. Minder bekend is dat ook hier de Verenigde Staten een duwtje in de rug hebben gegeven.

Tijdens de Koreaanse oorlog (1950-1953) dacht de Amerikaanse president Henri Truman dat de Sovjets uit waren op de wereldheerschappij. Hij reageerde met de eerste ronde in de bewapeningswedloop. Ook de NAVO-partners werden verplicht hieraan mee te doen en bovendien symbolische contingenten troepen naar Korea te sturen. Centraal-en Oost-Europa zaten stevig in de greep van het stalinisme en konden niets ondernemen. Tijdens deze ijzigste periode van de Koude Oorlog waren contacten tussen Oost- en West-Europese regeringen uit den boze. Een ijzeren gordijn was door de Sovjets dwars door Europa gespannen en belette het over en weer reizen. De burgers waren dus opgesloten binnen het eigen kamp. Nooit eerder was Europa in twee delen opgesplitst die zo hermetisch van elkaar waren gescheiden. In de beginperiode waren ook culturele en economische contacten tot een strikt minimum beperkt.

Na de dood van Stalin ontstond er een lichte dooi en was er enige hoop op verandering. De inwoners van de DDR dachten in juni 1953 hun kans te kunnen grijpen en betoogden en staakten voor meer democratie en de hereniging met het andere Duitsland. De opvolgers van Stalin reageerden in paniek en lieten hun troepen die beweging onderdrukken.

Tijdens het presidentschap van Dwight Eisenhowers ( 1953-1961) en het begin van de ambtsperiode van de Sovjet hervormer Nikita Chroesjtsjov groeide de Europese politieke onafhankelijkheid niet. Fransen en Britten waren tijdens hun laatste “imperialistische” militaire interventie in Egypte in 1956, om er hun belangen in het Suezkanaal te vrijwaren, door de verbolgen Eisenhower teruggefloten.

Datzelfde jaar smoorde Chroesjtsjov de Hongaarse poging tot liberalisering van de communistische leider Imre Nagy in het bloed. Omdat de Verenigde Staten niet tussenkwamen, zoals vele Hongaren hadden gehoopt, bleek duidelijk dat deze de tweedeling van Europa aanvaardden. Misschien juist daarom verminderde de spanning tussen de Sovjets en de Amerikanen geleidelijk aan en mochten de Europeanen een pauze in de wapenwedloop meemaken (1958-1960).

De overheersende ideologie van de leidende kringen in West-Europa was deze van het “Atlantisme”. Dit betekende dat ze met de Amerikaanse leiding en perceptie van het wereldgebeuren instemden. De Atlantisten verspreidden ook de typische Amerikaanse waarden, organiseerden een consumptiemaatschappij naar Amerikaans model en trokken talrijke Amerikaanse investeerders aan. Ze verzorgden ook de communicatie tussen West-Europa en de Verenigde Staten en geloofden dat de Verenigde Staten in West-Europa aanwezig moesten blijven om het tegen het oprukkend communisme te beschermen. Parallel hieraan ontstond in Centraal – en Oost-Europa een elite rond het Pact van Warschau. Deze getrouwen aanvaardden de sovjetoverheersing en de communistische doctrine en bouwden hun carrières op beide pijlers op.

President John Kennedy (1961-1963) startte met een tweede (raketten)ronde in de bewapeningswedloop, maar zette toch de dialoog met Chroesjtsjov verder. Samen met Chroesjtsjov kon hij – door zijn voorzichtige aanpak in de Cubaanse rakettencrisis – een ramp vermijden, maar hij vond geen oplossing voor het Berlijnse probleem.

Het bestaan van West-Berlijn midden in de DDR was voor de communisten een reusachtig probleem omdat honderdduizenden burgers via deze westerse enclave wegvluchtten. Chroesjtsjov kon dreigen zo veel hij wou, Kennedy gaf niet toe. De Oost-Duitse leider Walter Ulbricht en Chroestsjov capituleerden tenslotte door in 1961 een muur midden in Berlijn op te trekken om het vluchten te beletten. Deze muur werd het symbool van de Koude Oorlog en de deling van Berlijn, Duitsland en Europa.

Europeanen willen lot in eigen handen nemen

De eigenzinnige en nationalistische Franse president generaal Charles de Gaulle(1959-1969) was de eerste West-Europese staatsman die met grof geschut de Amerikaanse hegemonie over West-Europa betwistte. Steunend op zijn nucleaire “force de frappe” streefde hij naar een door Frankrijk geleid verenigd en onafhankelijk Europa. Deze oefening mislukte, o.m. omdat West-Duitsland, met wie Frankrijk intensief samen werkte en hoopte dat het Frankrijk

zou volgen, resoluut voor Verenigde Staten en de NAVO koos. Wel onttrok Frankrijk zijn troepen aan het Amerikaanse opperbevel van de NAVO en verplichtte de NAVO-instellingen Frankrijk te verlaten (1966). De poging om een niet door de Verenigde Staten gecontroleerde Franse kernmacht op te bouwen werd door de Amerikanen erg gewantrouwd. Op de kernmacht van de trouwe Britse bondgenoot hadden ze een zeker toezicht omdat die een beroep deed op Amerikaanse technologie. Alle andere in het kader van de NAVO in Europa gestationeerde Amerikaanse kernwapens bleven voor 100% onder Amerikaanse controle.

De Gaulle kreeg een navolger in de persoon van de Roemeense communistische leider Nicolae Ceausescau die reeds in 1966 pleitte voor de terugtrekking van alle vreemde troepen uit Europa. Hij gedroeg zich als een dissident binnen het pact van Warschau, liet geen Russische troepen toe op zijn grondgebied en ontrok zich aan het gezag van de Sovjet-Unie. De Sovjets lieten betijen omdat Roemenië geen grote strategische waarde had en ze de Roemeense troepenmacht minderwaardig vonden. Bovendien bleef Ceausescau een dogmatische communist. Onnodig te zeggen dat hij goede contacten onderhield met de Gaulle. Hij kon het overigens ook goed vinden met een andere communistische dissident maarschalk Josip Tito de dictator van Yougoslavië. Deze aartsvijand van Stalin was er in geslaagd zijn land neutraal te houden en maakte geen deel uit van een van twee pakten. Hij onderhield goede contacten met de Amerikanen en de West-Europese leiders en bouwde een communistische staat op die aanzienlijk verschilde van het sovjetvoorbeeld.

Misschien om de Gaulle wat ter wille te zijn, keurde de NAVO in december 1967 het befaamde rapport van de Belgische minister van buitenlandse zaken Pierre Harmel goed. Het stelde duidelijk dat het de taak van alle NAVO-landen was naar ontspanning te streven. Dit moest niet meer aan de Amerikanen overgelaten worden. Ze konden dit ook individueel doen, via bilaterale contacten met de Oostbloklanden. Tot een van de doelstellingen van de NAVO werd – vrij verrassend – ook het zoeken naar een oplossing van de Europese deling gerekend die enkel door een voortdurende ontspanning zou kunnen bereikt worden. Harmel gaf het goede voorbeeld en onderhandelde met de Polen over een ontwapende veiligheidszone in Centraal-Europa en nadien met Roemenië, het enige Warschaupactland dat zich onafhankelijk van Moskou opstelde. Maar uiteindelijk bleek dat de Verenigde Staten niet echt achter deze politiek stonden en de Harmeldoctrine werd langzaam vergeten.

De gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije in augustus 1968 konden worden geïnterpreteerd als een botsing van een Europees land tegen een als on-Europees aangevoeld politiek en sociaal-economisch systeem. Na veel aarzelen had Sovjetleider Leonid Brezjnev op aanraden van de DDR, Polen en Bulgarije door een inval van de troepen van het Warschaupact de democratische en humane hervormingen van Alexander Dubcek ongedaan gemaakt. Het prestige verlies van de Sovjet-Unie in het algemeen en het communisme in het bijzonder was enorm West- Europa. In een aantal landen, waaronder vooral Italië, aanvaardden de lokale communistische partijen niet meer de leiding van hun Russische kameraden .Ze verkozen een democratischer en meer humaner communisme dat Eurocommunisme werd genoemd.

Na een zekere afkoelingsperiode als gevolg van het onderdrukken van de Praagse lente, begon de West-Duitse kanselier Willy Brandt (1969-1974) ook een eigen buitenlandse politiek te voeren en onderhandelde met de communisten. Hij erkende de nieuwe Duitse grenzen, de DDR en de Oostbloklanden en verkreeg een goed statuut voor West-Berlijn. In feite aanvaardde hij ook de tweedeling van Europa met de bedoeling tot ontspanning te komen en zodoende via dialoog en verdere geruststellende maatregelen de kloof tussen Oost en West te dichten. Op die manier zouden de twee delen van Duitsland later spontaan naar elkaar toegroeien en zich uiteindelijk herenigen.

Ontspanning en terug spanning

De naoorlogse politieke problemen in Europa die zoveel spanningen hadden veroorzaakt, waren nu schijnbaar opgelost, mits de deling (definitief?) aanvaard werd.

Bovendien zorgden presidenten Richard Nixon,Gerald Ford, minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger en de sovjetleider Leonid Brezjnev voor een ware detente. Het SALT I-verdrag (1972) werd afgesloten en op de Conferentie van Helsinki (1975) werden door alle Europese naties en hun voogden de Verenigde Staten, Canada en de Sovjet-Unie nogmaals het naoorlogse Europese status-quo en dus ook de nieuwe grenzen bevestigd. Ook werden vertrouwenwekkende militaire maatregelen goedgekeurd. Op die manier was het voor de twee pacten onmogelijk een plotse en onvoorziene aanval op de andere te lanceren. Een mogelijk door de Verenigde Staten en andere NAVO-landen gesteund Duits revanchisme behoorde dus voorgoed tot het verleden. De immer wantrouwige Sovjets konden dus voortaan op hun beide oren slapen.

In 1975 had theoretisch de Koude Oorlog kunnen worden afgesloten. In Europa waren er nu geen destabiliserende factoren meer aanwezig. De Europese deling dreigde een permanent karakter te vertonen. Het viel dus te verwachten dat er werk zou worden gemaakt van de dringende ontwapening van Europa, waar op een betrekkelijk kleine oppervlakte ongelooflijk veel troepen, oorlogsmaterieel en atoomwapens stonden opgesteld.

Niet totaal onvoorzien gebeurde het tegenovergestelde. Er ontstonden nieuwe Oost-West spanningen onder president Jimmy Carter (1977-1981), vooral omwille van de strijd om invloedssferen in de Derde Wereld. Dit was het gevolg van de rivaliteit tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Strikt genomen had Europa daar weinig mee te maken; de Europeanen lieten dit nu en dan duidelijk blijken.

De Amerikanen vonden in de vernieuwing van de Sovjet-Russische middellangeafstandsraketten een voorwendsel om nieuwe kruisraketten en Pershing 2-raketten in West-Europa te plaatsen. De spanning werd nog groter toen president Ronald Reagan (1981-1989) een overweldigende militaire superioriteit begon na te streven.

Een groot deel van de West-Europese publieke opinie keerde zich tegen het rakettenbesluit en tegen de politiek van Reagan, maar de regeringen liepen in de pas. De voornaamste doelstelling van deze nieuwe wapens was niet zozeer van militaire aard: de Amerikanen wilden er hun engagement voor West-Europa mee aantonen en ook duidelijk laten zien dat zij – en niemand anders – de NAVO beheersten. Bepaald pijnlijk was het toen de Sovjets en Amerikanen, zonder Europese inbreng, met elkaar in Genève over de Europese raketten onderhandelden. Dit was ook het geval toen in oktober 1986 in Reykjavik, zonder Europese inbreng, de nieuwe Sovjetleider Mihail Gorbatsjov (1985-1991) met Reagan akkoord ging alle raketten uit Europa te verwijderen. De overeenkomst struikelde echter over de utopische “Sterrenkrijgsplannen” van president Reagan die hij ondanks de smeekbede van Gorbatsjov niet wou opgeven..

Ook in de NAVO was tijdens de ambtsperiodes van de presidenten Nixon, Ford, Carter en Reagan de West-Europese inbreng vrij gering. De Amerikaanse perceptie van de sovjetdreiging bepaalde de NAVO-politiek. Dit was o.m. te wijten aan het feit dat centrum-rechtse regeringen in West-Europa aan de macht waren, die bovendien onderling geen consensus konden vinden. De Verenigde Staten beschouwden de Sovjets, met wie ze in een strijd om invloedssferen in de Derde Wereld waren gewikkeld, nog steeds als hun belangrijkste vijand. West-Europa beleefde de sovjetdreiging niet altijd op dezelfde manier maar liep wel in het NAVO-gelid. Geconstateerd werd dat sinds de detente onder Nixon en Brezjnev de Navo en het Pact van Warschau een zekere complementariteit vertoonden. Ze waren verdoken partners omdat hun bestaan afhankelijk was van de andere. Hun militaire leiders wisten dat de “vijand” niet zou aanvallen, maar omdat het hun bestaansreden was, deden ze alsof ze bang waren voor elkaar.

Michail Gorbatsjov

Alles veranderde met de komst in 1985 van Gorbatsjov. Hij democratiseerde en hervormde de Sovjet-Unie en wou ook ontwapenen. Gorbatsjov genoot het vertrouwen van de publieke opinie zowel in de Verenigde Staten als in West-Europa. President Reagan en zijn opvolger George Bush Sr waren wel verplicht met hem over ontwapeningsprocessen te onderhandelen. Het resultaat was het INF-akkoord (1987) en de CFE-overeenkomst (1990), twee uiterst belangrijke ontwapeningsakkoorden over in Europa en het westelijk gedeelte van de Sovjet-Unie opgestelde wapensystemen en manschappen. De Europeanen waren tevreden met de overeenkomst, maar speelden opnieuw geen rol van betekenis bij de besprekingen.

De plotse democratisering van Centraal- en Oost-Europa in 1989 was er bij de publieke opinie grondig voorbereid. Vooral het succes van de Europese Gemeenschap en het elan ter voorbereiding van de economische eenmaking van 1992 werkten aanstekelijk omdat het contrast met de stagnatie van de communistische regimes schrijnend was. Reeds vanaf het begin van de jaren tachtig boden de Polen, geholpen door de katholieke kerk en paus Johannes-Paulus II, hardnekkig weerstand tegen hun regime. Samen met de Hongaren fungeerden ze als ijsbrekers en slaagden erin op eigen kracht hun regimes te breken. Ze werden hierin ook geholpen door Gorbatsjov ,die ondanks het herhaald verzoek van de Poolse communistische leiders, weigerde zijn troepen tegen de anticommunisten te laten optreden. Hierop volgde het eertijds door de Amerikanen zo gevreesde domino-effect, zij het dan in omgekeerde richting. De Oost-Europese bevolkingen kwamen in 1989 massaal op straat en duwden met groot gemak de vermolmde communistische regimes weg. Tekenend is ook dat de val van de Berlijnse muur op 9 november 1989 als symbolische einddatum van de Koude Oorlog geldt. Hoewel de eerste leiders van de democratische bewegingen in de DDR het niet wilden, was de vereniging van beide Duitslanden van dan af onafwendbaar.

Gorbatsjov liet de Centraal- en Oost-Europese satellieten niet alleen toe hun eigen weg te gaan maar zette er hen ook uitdrukkelijk toe aan dit te doen. Naïef als hij was, hoopte hij dat ze voor een linkse vorm van sociaal-democratie zouden kiezen en voor eeuwigdurende vriendschap met de nieuwe Sovjet-Unie . Ze kozen duidelijk voor een “West-Europese” maatschappijvorm en wilden zich, eenmaal bevrijd van het communisme, bij de Europese Gemeenschap aansluiten. Brussel reageerde eerder afwijzend: pas na een lange voorbereidingsperiode zouden de voormalige communistische landen lid kunnen worden. Opvallend is wel dat ook Gorbatsjov zich door de West-Europese sociaal-democratische voorbeelden voor zijn hervormingen liet inspireren. Hij beklemtoonde dat zijn land tot het “Europese huis” behoorde. Dit betekende meer dan wat symboliek: hiermee toonde hij aan dat hij eerder bij het West-Europese dan bij het Amerikaanse model wou aansluiten.

 

Yvan Vanden Berghe

Het Oosterse Schisma en de deling van Europa

dinsdag, 29 juli 2014

De fel begeerde keizerskroon

Op 25 december 800 zette paus Leo III in Rome de keizerskroon op het hoofd van Karel de Grote en noemde hem Imperator Romanorum. Dit was meteen een provocatie aan het adres van keizerin Irene van Constantinopel (Byzantium) die dacht het alleenrecht te hebben op die titel.

Het Romeinse rijk was al definitief gesplitst door keizer Theodorus de Grote (+395) in een westelijk deel dat vanuit Rome in het latijn werd bestuurd en oostelijk deel met als hoofdstad Constantinopel dat het grieks als bestuurstaal gebruikte. Ook de taal van de kerk verschilde: latijn in het westen grieks in het oosten Omdat het West-Romeinse rijk verdween door de inval van de Germanen, bleef er alleen nog de keizer van het Oost-Romeinse rijk over die zich als de enige erfgenaam van het gehele Romeinse rijk beschouwde.

Karel de Grote, als nieuwe keizer van het West-Romeinse rijk, aanvaardde de tweedeling en maakte- na enige gevechten om Venetië- geen aanstalten om gebieden van Byzantium te veroveren

De pausen van Rome daarentegen handelden alsof ze als enige opvolgers van Petrus de absolute leiders van de kerk waren en wilden geen rekening houden met de 4 andere oostelijke patriarchen die zich als hun gelijken beschouwden. Pausen en patriarchen geraakten het bovendien oneens over een aantal religieuze vraagstukken zoals het verplicht celibaat voor priesters, de gelijkwaardigheid van alle vijf patriarchen en de Heilige Drievuldigheid. Dit leidde uiteindelijk tot het schisma van 1054.Paus Leo IX en patriarch Michael Caerularius van Constantinopel excommuniceerden elkaar wederzijds. Dit was de officiële vastlegging van het langzaam uiteengroeien van het Latijns Katholieke westen en het Grieks Orthodoxe oosten van Europa.

Het conflict kende een hoogtepunt tijdens de Vierde Kruistocht( 1202-1204) toen de graaf van Vlaanderen en Henegouwen Boudewijn IX in april 1204 Constantinopel veroverde en liet plunderen en de eerste keizer werd van een Latijns keizerrijk dat tot 1261 zou stand houden. Op een bloedige wijze probeerden de kruisvaarders de orthodoxie uit te roeien. Dit lukte niet en de Byzantijnse keizerlijke familie keerde in 1261 naar een verbrokkeld en verzwakt Byzantium terug. Het Byzantijnse rijk herstelde zich nooit meer van zijn “Latijnse” periode en daardoor konden de islamitische Turken( Ottomanen) steeds verder oprukken en in 1453 redelijk gemakkelijk Constantinopel innemen.

De veroveraar sultan Mechmet II nam ook de titel van Romeins keizer over en probeerde het Romeinse rijk te herstellen door Rome en westelijk Europa te veroveren. Mechmet II mislukte maar hij en zijn opvolgers veroverden bijna de gehele Balkan met Griekenland inclusief en andere landen zoals Bulgarije en stukken van Roemenië. Ook delen van Oostenrijk en Hongarije werden tijdelijk bezet. Uiteraard bezaten ze ook het Arabische Noord-Afrika en Midden Oosten.

De keizerstitel sprak tot de verbeelding. De Russische grootvorsten en tsaren hadden het na de verovering van Constantinopel door de Islamieten over Rusland als het “derde Rome”.Omdat enkelen ervan met dochters van de laatste Byzantijnse kiezers waren getrouwd, beschouwden ze zich als rechtmatige opvolgers van de Romeinse keizers en de beschermers van de (orthodoxe)christenheid. Daarom namen ze sinds Ivan III de titel van tsaar (Caesar) aan. Tot aan de revolutie (1917) stelden de tsaren alles in het werk om Constantinopel te veroveren en er opnieuw een orthodoxe stad van te maken. Tevergeefs! Maar ondanks de Turkse meerderheid bleef tot na de eerste wereldoorlog een groot gedeelte van de bevolking er Grieks en resideert nog steeds een orthodoxe patriarch in Istanbul, het vroegere Constantinopel.

Orthodoxie: de godsdienst van de feodaliteit

Omwille van de religieuze conflicten, het taalverschil en de afstanden verminderden de contacten tussen Oost- en West – Europa na het uiteenvallen van het West-Romeinse rijk. Dit gold niet altijd voor de handelscontacten. Dit verergerde nog van zodra in de 14de en 15de eeuwen de Ottomanen Byzantium en de Balkan veroverden. Bijna steeds woedden grotere en kleine oorlogen tussen christenheid en Islam. Pas op het einde van de 19 eeuw hadden de meeste Balkanlanden zich van de Turkse bezetting kunnen bevrijden. Dit gebeurde door bloedige opstanden en soms ook met de hulp van Russische legers die de Slavische christenen van de Islamieten hielpen bevrijden.

De Turken gaven aan de Orthodoxe volkeren een beperkte vorm van zelfbestuur onder hun door de bezetters aangestelde bisschoppen (metropolieten). De Turken aanvaardden dat joden en christenen hun godsdienst bleven belijden in ruil voor een belasting (dzizya),die hen ook vrijstelde van militaire dienst. Ondanks deze vorm van verdraagzaamheid voelden ze zich toch tweederangsburgers en daarom bekeerden grote groepen zich tot de Islam. Ook braken regelmatig opstanden uit tegen de Turkse bezetters die deze dan in het bloed smoorden.

Toen de Turken in de 14de en15de eeuwen de Orthodoxe landen veroverden, troffen ze er feodale maatschappijen aan. Dit stond in scherp contrast met de toestand in West-Europa waar de steden in volle bloei waren en waar het kapitalisme zich ontwikkelde. De ondernemende burgerij was in volle opkomst. Amerika werd ontdekt en ook een alternatieve route naar Azië langs Afrika waardoor kooplui de zware Ottomaanse tollen konden vermijden. De renaissance begon te bloeien en de Protestanten kondigden zich aan. Het was een maatschappij in volle beweging gedreven door de vooruitgangsgedachte.

Toen de Turken de orthodoxe gebieden veroverden zwaaiden adellijke landheren er de plak . De boeren bezaten geen grond en behoorden tot het domein. Ze mochten zich niet verplaatsen en hadden praktisch geen enkel recht. Ze waren ongeletterd, ongeschoold en onondervoed. Ze stierven als vliegen. Het menselijk leven op aarde had geen waarde:het duurde maar de tijd van een zucht. Alleen het leven in het hiernamaals was belangrijk. In de feodaliteit heerste het recht van de sterkste. Vrouwen waren dus de mindere van de mannen, de goed gevoede en bewapende edelman op zijn strijdros de meerdere van de wankele, zwakke onbewapende, magere boer op blote voeten. Wie macht had nam wat hij wou. Corruptie was schering en inslag. Onafhankelijke rechtspraak was onbestaande.

In de mentaliteit van de orthodoxe feodale wereld stond het status-quo centraal. De sociale verhoudingen zoals ze waren, waren godswil. Zich er tegen verzetten was dus onmogelijk. Er werd geen enkele inspraak verwacht maar ook niet geduld. Democratie kon in deze gebieden onmogelijk gedijen.

De orthodoxie vereenzelvigde zich helemaal met de ideologie van de feodaliteit. Aanvaarden en lijdzaamheid waren typisch feodale deugen, naast gehoorzaamheid. Plannen, organiseren, investeren, streven naar verbetering of verhoging van de productiviteit waren helemaal uit den boze. Handel was verdacht, geld uitlenen tegen intrest was zwaar zondig. Beide activiteiten werden liefst aan de joden overgelaten, die toch door hun moord op Jezus Christus, tot de verdoemden behoorden. De orthodoxie vereenzelvigde zich helemaal met dit gedachten goed en was bijzonder gehoorzaam aan de wereldse leiders. De orthodoxie versterkte dus de feodale mentaliteit. Ze wendden zich af van de Turken en leefden in zich zelf gekeerd en geïsoleerd verder. De orthodoxie bekommerde zich niet zozeer om aardse aangelegenheden, maar vooral om het spirituele. Het onderwijs was tot een minimum beperkt.

Dus reeds voor de inval van de Turken groeide er een mentale kloof tussen oost en west. Door de Turkse bezetting werd die kloof een diepe ravijn. Zo klonken de ideeën van de renaissance maar zwakjes door tot het oosten. De Verlichtingsideeën en industriële en wetenschappelijke revoluties van de 18de en de 19de eeuw bleven er grotendeels onbekend. De feodale mentaliteit bleef intact, ook na het verdwijnen van de Turken en het langzaam uitdijen van de feodale verhoudingen, en is nu als grondstroom nog steeds aanwezig. Dit laatste heeft veel te maken met de 45-jarige bezetting door de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog. Opnieuw werden de orthodoxe landen van het westen afgesneden en bezet door het machtigste orthodoxe land en waren verplicht het politieke en economische systeem van de Russen over te nemen

Het communisme versterkte tijdens de Koude Oorlog schijnbaar paradoxaal de feodaal-orthodoxe mentaliteit

Lenin schreef – vermoedelijk onbewust – voor Rusland een soort marxisme voor dat helemaal aangepast was aan de Russische orthodoxe feodale cultuur. Stalin die in een orthodox klooster had school gelopen en er zich op het priesterschap had voorbereid, ging op dezelfde lijn voort. Dit belette niet dat Lenin en Stalin de orthodoxie als concurrerende ideologie bestreden. Helemaal in de lijn van de orthodoxie kon er maar één waarheid zijn: het leninisme dat zich bovendien atheïstisch noemde. De beïnvloeding door de orthodoxe cultuur gebeurde dus onbewust en grotendeels ongewild. De orthodoxie was zoals het leninisme antikapitalistisch, had een afkeer voor winst maken door handel en het opstrijken van bankrente en hield niet van het ondernemerschap. De orthodoxie was eveneens antidemocratisch en anti-individualistisch. Gehoorzaamheid, lijdzaamheid en aanvaarding, blind geloof in de enige toegelaten leer, verering van de leiders – de nieuwe heiligen waarvan de iconen overal te zien waren -, waren deugden zowel van het leninisme als van de orthodoxie. Het leninisme hield van religieus geïnspireerde plechtigheden en het geloof in de utopie van het communisme: de hemel op aarde. Zowel orthodoxie als leninisme en stalinisme beleden in de praktijk de superioriteit van de mannen boven de vrouwen. Ze hadden zoals feodale heren geen eerbied voor boeren en soldaten, kortom het “volk”. Zoals de Heer en de tsaar zorgden voor de gelovigen, zo zorgde de partijleider van wieg tot graf voor de burgers. Dat Lenin en Stalin een moderne industrie wilden opbouwen, deed geen afbreuk aan hun orthodoxe ingesteldheid. Ze deden dit net als Peter de Grote om in staat te zijn met moderne wapens een verwachte aanval van het Westen te kunnen afweren. Ze bleven echter volledig trouw aan de Russische traditie: alles werd van hogerhand geregeld, initiatieven van de basis waren verboden en discussie en politieke meningsverschillen waren niet mogelijk. De rechtstaat was natuurlijk onbestaande. De Russen moesten wachten tot er onder Gorbatsjov – veel te laat – enige verandering in kwam.

De messianistische- Russen- ook een erfenis van de orthodoxie( Rusland als het derde Rome)- die nooit aan hun leer twijfelden, legden hun systeem en dogma’s op aan hun satellietlanden in Oost-Europa en probeerden dat ook – zonder veel succes- in China waar Mao een Chinese vorm van het marxisme zou lanceren.

Mijn stelling is dat het leninisme de bestaande feodale orthodoxe mentaliteit eerder versterkte dan vernietigde. Daarom was het niet onverwacht dat de meeste ex-communistische orthodoxe landen de plotse en ongenadige overgang naar het kapitalisme niet aankonden. De door het Westen opgelegde schoktherapie had in de meeste landen waar de feodale mentaliteit overheerste maar weinig kans op slagen. Zoals roofridders maakten sterke en goedgeplaatste figuren- zonder te investeren- zich meester van de natuurlijke rijkdommen. Anderen werden- zonder zich in te spannen- rijk door afpersing en andere maffiapraktijken. De algemene corruptie en het gebrek aan rechtsstaat, werkten die praktijken in de hand. De verdiende fortuinen werden zelden in eigen land geïnvesteerd in nieuwe innovatieve technologieën; ze werden naar het buitenland en belastingparadijzen overgebracht.

Het orthodoxe Griekenland kan als testcase dienen om deze stelling te ondersteunen. Het werd nooit door de Sovjet-Unie bezet en behoorde al die jaren tot het westerse kamp maar is er nooit in geslaagd een modern en volwaardig staatsbestuur op te zetten. Machthebbers bekommeren zich niet om het algemeen belang. De democratie is wankel, de corruptie uitgebreid, het vrije marktsysteem werkt niet en het cliëntilisme de enige algemeen aanvaarde politieke ideologie.

 

Yvan Vanden Berghe, 2004

Veertig stellingen over de Koude Oorlog

zondag, 15 februari 2009

Deze stellingen verschenen voor het eerst in De Nieuwe Maand, april 1989, jg. 32, nr. 4, pp. 27-30. Een tweede versie werd gepubliceerd in 2002 in het boek De Koude Oorlog. Een derde versie werd gepubliceerd in 2008 in het boek De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis.

1.    De Koude Oorlog begon in 1917. Het kapitalisme duldde het bestaan van een socialistische staat, de Sovjetunie, niet. De grotere westerse mogendheden en de Japanners steunden dan ook de Witte generaals tijdens de burgeroorlog (1918-1920).

2.    De sovjetleiders wilden zich niet neerleggen bij het verlies van gigantische territoria als gevolg van de oorlog met Duitsland (1914-1917) en Polen (1919-1920). Deze gebieden zijn: Finland, Estland, Letland, Litouwen, Bessarabië, delen van Wit-Rusland en van Oekraïne. Uitgezonderd Finland, gingen al deze landen en territoria in de periode 1939-1945 opnieuw deel uitmaken van de Sovjetunie.

3.    Ontgoocheld door het uitblijven van een communistische revolutie in Centraal-Europa geloofden leiders zoals Lenin en Stalin al vrij vlug (1921) niet meer in de wereldrevolutie. Ondanks de soms opruiende taal van de Komintern hielden ze zich vooral bezig met de opbouw van het socialisme in één land en streefden daarom naar een goede verstandhouding met de kapitalistische landen.

4.    In 1939 wou een paniekerige Stalin in ieder geval een oorlog met Duitsland vermijden omdat hij dacht dat zijn regime die oorlog niet zou overleven. Een defensieverdrag met Frankrijk, Groot-Brittannië en Polen tegen Duitsland zou hem even welkom geweest zijn als het niet-aanvalspact van 23 augustus 1939 met Duitsland. Het mislukken van de onderhandelingen over een pact met de westerse democratieën en Polen was niet noodzakelijk de schuld van Stalin alleen.

5.    Tijdens de duur van het Sovjet-Duits niet-aanvalspact (23 augustus 1939 tot 22 juni 1941) gedroeg Stalin zich als een nederige, zelfs kruiperige vazal van Hitler.

6.    Ook tijdens het grote bondgenootschap van Sovjets, Amerikanen en Britten tegen het nazisme waren er spanningen onder de bondgenoten. De Britten en Amerikanen vreesden dat Stalin een aparte vrede met Hitler wou onderhandelen en Stalin begreep niet waarom zijn partners, ondanks hun beloften, het tweede front altijd opnieuw uitstelden. Ook nu nog denken de Russen dat de Amerikanen met plezier toekeken hoe Duitsers en Sovjets elkaar uitmoordden en dat ze slechts op het laatste ogenblik (juni 1944) in Normandië zijn geland, eerder om de vanuit Oost-Europa oprukkende Sovjets tegen te houden, dan wel om de nazi’s te verslaan.

7.    De Sovjets hebben nazi-Duitsland verslagen; de Verenigde Staten dwongen Japan tot capitulatie.

8.    Noch in Jalta, noch in Teheran en Potsdam werd Europa verdeeld. Er werd wel afgesproken dat de Sovjetunie recht had op “bevriende regeringen” in Finland, Polen, Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Dit betekende dat ze hun buitenlandse politiek op deze van de Sovjetunie moesten afstemmen en zich niet mochten aansluiten bij een anti-sovjetverbond. Met de Sovjetunie zouden vriendschapsverdragen worden afgesloten waarin zou worden gestipuleerd dat de Sovjetunie bijstand zou verlenen bij een Duitse aanval. Deze landen werden dus als een buffer beschouwd tegen een te verwachten nieuwe revanchistische aanval van het Duits militarisme tegen de Sovjetunie.

9.    Het was niet nodig om twee atoombommen in Japan tot ontploffing te brengen om de Japanners tot overgave te dwingen. Ze wilden reeds in juni 1945, mits het behoud van de keizer, capituleren. Niet geheel ten onrechte zagen de Sovjets in de atoombommen ook een voor hen bestemde intimidatiepoging.

10.    Bij het einde van de Tweede Wereldoorlog waren de Verenigde Staten, die over het kernmonopolie beschikten, de economische maar ook de militaire reus van de wereld geworden. De Sovjetunie had zevenentwintig miljoen mensenlevens en 40% van haar economisch potentieel verloren en snakte daarom naar een adempauze.

11.    De ervaringen met Hitler speelden een determinerende rol in de reacties van de Verenigde Staten en de Sovjetunie in de naoorlogse periode. Voor de Amerikanen leed het geen twijfel: Stalin was even onberekenbaar en oorlogszuchtig als Hitler. Ook Stalin vreesde de Amerikanen zoals hij Hitler had gevreesd. In plaats van onderdanig, zoals in de periode 1939-1941, toonde hij zich nu evenwel arrogant en zelfverzekerd.

12.    De Poolse communisten vervalsten de verkiezingen van 1947 omdat spontaan nooit een sovjetvriendelijke regering kon worden gekozen. De Polen weigerden immers de nieuwe grenzen en de sovjetinmenging te aanvaarden. In de andere Oost-Europese landen kwamen de lokale communisten in de periode 1946-48 via staatsgrepen aan de macht. Het is niet zeker dat dit op bevel van Stalin gebeurde. Tot aan het Marshallplan (1948) was hij tevreden met de “finlandisering” van Oost-Europa.

13.    Het Marshallplan (1948-1952) veroorzaakte een volledige breuk tussen de vroegere bondgenoten. De Amerikanen wilden door de verbetering van de welvaart in West-Europa de communistische partijen de wind uit de zeilen nemen. Stalin dacht dat een economisch sterk West-Europa, met daarin een bloeiend West-Duitsland, dergelijke aantrekkingskracht op Oost-Europa zou uitoefenen dat Oost-Europa uit de sovjetsfeer zou worden losgerukt. Ook vreesde hij – volkomen ten onrechte – het revanchisme van een sterk gemaakt West-Duitsland, eventueel geholpen door de Amerikaanse kernmacht. Het IJzeren Gordijn, dat als reactie op het Marshallplan Oost-Europa hermetisch afsloot, en de stalinistische terreur wakkerden de Koude Oorlog aan.

14.    De Sovjetunie is nooit van plan geweest West-Europa aan te vallen en te veroveren. De westerse leiders hebben dit altijd geweten. De defensiemiddelen en het NAVO-pact werden niet opgebouwd tegen sovjetintenties maar tegen de sovjetmiddelen. Na de dood van Stalin geloofden – tenzij voor korte tijd – ook de sovjetleiders niet meer in een westerse aanval. De wapenwedloop was dan ook een zichzelf voedend en uit de hand gelopen strategospel.

15.    Eerder dan een sovjetaanval vreesden Amerikaanse en West-Europese leiders het op een democratische manier aan de macht komen van de Franse en Italiaanse communistische partijen.

16.    Toen Stalin in het voorjaar van 1948 besefte dat het Westen een onafhankelijke, sterke en bewapende West-Duitse staat wou oprichten, ontstond één van de gevaarlijkste ogenblikken van de Koude Oorlog. Dit feit verbijsterde Stalin omdat de voor de Sovjetunie bijna fatale oorlog nog geen drie jaar was afgelopen. Zijn enige en zwakke reactie was een blokkade van de toegangswegen tot Berlijn. Stalin wou in ieder geval een gewapend conflict met de Verenigde Staten vermijden. Daarom was de blokkade niet volledig. Uit de sovjetbezettingszone werden voedsel en grondstoffen naar West-Berlijn gebracht. De geallieerde luchtbrug volstond immers niet om de West-Berlijners te voeden en aan het werk te houden.

17.    De paranoïde Stalin duldde geen onafhankelijke communistische leiders zoals Tito en Mao naast zich. Ze werden eerder bestreden dan geholpen.

18.    Ondanks hun doctrine bleken communistische leiders eerder verwoede nationalisten dan internationalisten. Dit gegeven verklaart o.m. het Chinees-Sovjet-conflict.

19.    Toen de Noord-Koreaanse communistische dictator Kim II Song op 25 juni 1950 het Zuid-Korea van de rechtse dictator Syngman Rhee binnenviel, gebeurde dit met medeweten van Stalin en Mao. Deze laatsten hadden de aanval niet bevolen, maar wel toegelaten. Ze waren er na een uitspraak van Dean Acheson van overtuigd dat de Verenigde Staten niet zouden tussenkomen. Kim Il Song had hen bovendien verzekerd dat het om een lokale burgeroorlog zou gaan die hij gemakkelijk zou winnen. De Amerikanen, Sovjets en Chinezen werden tegen hun zin in dit conflict betrokken en door beide partijen gemanipuleerd.

20.    Mao was eerder een vertegenwoordiger van de traditie van anti-feodale boerenopstanden dan een aanhanger van het marxisme-leninisme.

21.    Stalin en na hem Molotov en Beria streefden naar hereniging en neutralisering van Duitsland. Dit Duitsland mocht desnoods kapitalistisch en democratisch zijn. De Sovjets waren bereid daarvoor het Ulbricht-regime op te offeren. Het Westen en de West-Duitse leiders wilden op dit voorstel niet ingaan.

22.    De oprichting van het Pact van Warschau was het rechtstreekse antwoord van de Sovjetunie op de West-Duitse herbewapening (1955).

23.    Het Verdrag van Brussel, dat tussen 1955 en 2000 de West-Europese Unie werd genoemd, is een meer bindende overeenkomst dan de NAVO (1949). Volgens dit verdrag zijn de partijen verplicht een agressor te bestrijden. Het NAVO-pact daarentegen is minder stringent.

24.    De vele vernuftige strategische theorieën die sinds het ontstaan van de kernwapens zijn ontwikkeld, kunnen in essentie allemaal worden herleid tot het nastreven van de “wederzijds verzekerde vernietiging” (MAD).

25.    Indien we de these aanhouden dat een Derde Wereldoorlog niet is uitgebroken dankzij de “wederzijdse verzekerde vernietiging” dan had het volstaan dat elke partij slechts vijftig atoomduikboten bezat met twintig meerkoppige atomaire langeafstandsraketten aan boord. Alle andere atoomwapens waren dan overbodig.

26.    De grote Oost-West-oorlog is niet vermeden dankzij de bedreiging van de “wederzijds verzekerde vernietiging”, maar gewoon omdat geen van beide partijen een dergelijke oorlog wou.

27.    De interventies van de Sovjetunie in Hongarije (1956) en het Pact van Warschau in Tsjecho-Slowakije (1968) zijn – hoe laakbaar ook – te beschouwen als een interne aangelegenheid van het Oostblok. Ze bewijzen niet dat de Sovjetunie agressieve bedoelingen had t.a.v. West-Europa. Hetzelfde kan worden gezegd van de angstaanjagende stalinistische terreur.

28.    Het communistisch worden van de links-nationalistische Fidel Castro en zijn overstap naar het sovjetkamp was eerder te wijten aan onhandige Amerikaanse reacties dan aan Castro’s eigen overtuiging.

29.    Zowel de Sovjetunie als de Verenigde Staten besteedden veel geld en middelen aan het veroveren of behouden van vage invloedssferen in de Derde Wereld. Het enige doel van dit optreden was te beletten dat de tegenstrever invloed in een bepaald gebied zou verwerven. Veelal waren deze interventies contraproductief of bleek na een kosten-batenanalyse dat het sop de kool niet waard was.

30.    Van Peter de Grote over Lenin, Stalin, Chroesjtsjov, Breznjev tot Gorbatsjov streefden de Russische leiders naar vriendschappelijke verhoudingen met West-Europa. Dit was noodzakelijk om broodnodige westerse technologieën te verwerven. De bijna driehonderd jaar oude poging om Rusland op een westers technologisch niveau te brengen is nog steeds niet gelukt. Westerse technologie gedijt niet in een samenleving met een orthodoxe en feodale mentaliteit.

31.    De “plaatsing” door Chroesjtsjov van korte- en middellangeafstandsraketten in 1962 in Cuba was een mislukte poging om de lat gelijk te leggen.  De Verenigde Staten hadden een overwicht aan langeafstandsraketten en hadden middellangeafstandsraketten opgesteld in West-Europa. Chroesjtsjov liep een smadelijke nederlaag op en moest de militaire suprematie van de Verenigde Staten erkennen.

32.    De Amerikanen dachten Vietnam te moeten vernietigen om het (van het communisme) te kunnen redden.

33.    Na ondertekening door Nixon-Kissinger en Brezjnev van de SALT-akkoorden (1972) en na de erkenning door Willy Brandt van de Duitse oorlogsverantwoordelijkheid en het verlies van belangrijke Duitse territoria (1969-1973) had de Koude Oorlog definitief kunnen worden beëindigd. De Conferentie van Helsinki (1975) had als feestelijke finale kunnen doorgaan. De Duitse kwestie had een redelijke oplossing gevonden en de Sovjets vreesden het Duits revanchisme niet meer. Door de strijd om vage invloedssferen in de Derde Wereld ontstonden echter nieuwe spanningen.

34.    Velen waren opgelucht bij het verstikken van de Praagse lente (augustus 1968). Zowel traditionele kapitalisten als verstarde communisten vreesden “het socialisme met een menselijk gelaat”.

35.    Het bleek eenvoudiger en goedkoper eerst door onderhandelingen het rakettenbestand van beide partijen te reduceren dan te wachten tot de Verenigde Staten en de Sovjetunie elk over een operationele SDI-installatie beschikten om dan pas te constateren dat raketten overbodig waren geworden.

36.    Algemeen werd gedacht dat het communisme de oorzaak was van de economische stagnatie en alle verdere ellende in Oost-Europa en de Sovjetunie. De remedie was dus duidelijk: het communisme afschaffen en vervangen door een vrijemarkteconomie en democratie. Wanneer een diagnose niet correct is, kan maar weinig worden verwacht van de remedie.

37.    Het communisme stortte niet in omdat Reagan de wapenwedloop overtuigend won. Reeds voor hij aan de macht kwam wilden Gorbatsjov en een aantal geestesgenoten het sovjetsysteem grondig hervormen. “Glasnost” en “perestrojka” liepen in 1991 onvoorzien uit de hand en veroorzaakten de implosie van het communisme en de Sovjetunie. Tevoren reeds hadden de Oost-Europese burgers in 1989 op een vredelievende manier hun vermolmde communistische regimes omvergeworpen. Solidarnosc en de Poolse paus Johannes-Paulus II hadden als eersten het systeem in Polen doorbroken waarna een domino-effect volgde.

38.    Het communistisch systeem van de Sovjetunie was een speciale variant van het marxisme. Lenin creëerde vanuit zijn Russisch-orthodoxe cultuur zijn eigen versie ervan: het leninisme. Het stalinisme was daarvan een voortzetting. Mocht het marxisme in Duitsland of in Frankrijk wortel hebben geschoten dan zou dit er helemaal anders hebben uitgezien. De Europese satellietlanden werden verplicht het stalinisme over te nemen. Leninisme en stalinisme waren voor de Russen niet volkomen vreemd; het is zeker niet waar dat leninisme en stalinisme de Russen hebben gemaakt tot wat ze nu zijn. Integendeel, de Russen hebben het marxisme tot leninisme en stalinisme omgevormd. Gorbatsjov had het zeker niet bij het verkeerde eind toen hij dacht dat een meer tolerante en humane en vooral een meer productieve vorm van het leninisme de Russen beter zou liggen dan de ongenadige vrijemarkteconomie.

39.    De huidige toestand van het GOS en Oost-Europa kan niet worden begrepen zonder kennis van de toestand in deze gebieden voor de komst van het communisme, dus voor 1917 of 1945. De Baltische landen en Tsjechië en Slovenië uitgezonderd, waren de meeste van deze landen nog steeds half-feodaal en onderontwikkeld. Ze lagen aan de periferie van het kapitalisme en ondergingen bepaalde vormen van kolonialisme. De beperkte industrie werd er gecontroleerd door buitenlandse kapitalisten. Het was ook tekenend dat een zeer belangrijk deel van de groot- en kleinhandel in handen was van joden. Ook zonder communistisch intermezzo zouden deze landen nu minder welvarend zijn dan het Westen.

40.    De Koude Oorlog kan ook worden gezien als een variant van de eeuwenoude strijd tussen de orthodoxie en de andere christelijke godsdiensten. Omwille van het groot mentaliteitsverschil tussen het Amerikaans calvinisme en de Russische orthodoxie zijn er in de toekomst nog spanningen te verwachten. Angst voor de gemeenschappelijke potentiële vijand China kan beide partijen dichter bij elkaar brengen.

Recensie De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis. Biblion

dinsdag, 18 november 2008

Biblion recenseerde De Koude Oorlog als volgt: “Yvan Vanden Berghe, hoogleraar diplomatieke geschiedenis aan de Universiteit Antwerpen, is de Koude-Oorlogspecialist in ons taalgebied. Dit grensverleggende en uitdagende boek verscheen voor het eerst in 1987 en werd voor deze druk zeer grondig herwerkt en aangevuld op basis van nieuw vrijgekomen informatie. In tien chronologische hoofdstukken neemt Vanden Berghe ons mee door de geschiedenis van de Koude Oorlog. Hij heeft daarbij niet alleen aandacht voor de politieke, militaire en diplomatieke aspecten, maar ook voor de economische, psychologische en culturele achtergronden. Een epiloog beschrijft de periode na de Koude Oorlog. Daarna volgen nog een virtuoos essay over de koude oorlog vanuit Europees perspectief, een conclusie rond enkele hamvragen en veertig puntige stellingen over de Koude Oorlog, die in feite nog eens het hele boek samenvatten. Dat alles wordt verlucht met enkele zwart-witfoto’s en kaartjes. Een vlot geschreven studie die af en toe ook originele en gedurfde verklaringen doet. Met een bibliografie per hoofdstuk en een register op persoons- en plaatsnamen.” Lees meer.

Recensie De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis. Hugo Van de Voorde

dinsdag, 18 november 2008

Hugo Van de Voorde publiceerde een recensie over De Koude Oorlog op de website van de Vlaamse Vereniging voor Leraren Geschiedenis en Cultuurwetenschappen: “Yvan Vanden Berghe is erin geslaagd de overweldigende wetenschappelijke literatuur van de laatste jaren te integreren in deze nieuwe editie en het verhaal aan te passen aan de resultaten van het meest recente archiefonderzoek. (…) In 2006 verscheen de Nederlandse vertaling van John Lewis Gaddis’ Koude Oorlog. Het kreeg meteen enorm veel aandacht in de media. Als je dat boek vergelijkt met De Koude Oorlog van Yvan Vanden Berghe blijkt ten volle hoe waardevol, evenwichtig en betrouwbaar de studie van de Vlaamse emeritus hoogleraar is. Zijn brede visie, zijn professionele correctheid en zijn indrukwekkende expertise hebben gezorgd voor een publicatie-van-hoog-niveau. De doelgroep van de auteur is het grote publiek. Hij slaagt er dan ook in een meeslepend verhaal te brengen, in combinatie met subtiele, genuanceerde duiding. En hij heeft er zich wel voor behoed de vlotte lectuur te verstoren door voetnoten. Wel brengt hij na elk hoofdstuk een selectieve bibliografie, waarbij recente studies een ruime plaats innemen. De uitgever heeft de inspanningen van de auteur gerespecteerd door zelf aan de vormgeving van deze editie heel wat zorg te besteden.  Lees meer.

Recensie De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis. Robin Aerts

zondag, 19 oktober 2008

Robin Aerts publiceerde op 18/07/2008 een recensie over De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis. Hij schrijft: “De Koude Oorlog – een nieuwe geschiedenis” is een bijgewerkte nieuwe uitgave waarin schrijver Yvan Vanden Berghe de nieuwe gegevens die na het opengaan van de vele archieven uit de voormalige Sovjet Unie verwerkt heeft. (…) De kracht van dit boek zit in de onpartijdigheid van de schrijver, die op objectieve wijze de verschillende stappen doorheen de Koude Oorlog weet toe te lichten. Hij legt duidelijke verbanden en toont de vele misverstanden die de aanleiding vormden voor de evolutie van deze oorlog. De verscheidene leiders langs beide zijden die maar bleven vastlopen in hetzelfde stramien van onbegrip en geldingsdrang, de wederzijdse argwaan en algemene paranoia zorgden voor een bewapeningswedloop die bijna vijftig jaar zou duren en miljarden zou kosten aan beide naties. Ook de oorlog in Vietnam en Korea, de Cubacrisis, de splitsing van Europa, het ijzeren gordijn en de muur in Berlijn waren een rechtstreeks gevolg van deze situatie. Lees meer.

De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis (1917-1991)

zondag, 10 februari 2008

cover De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis - Yvan Vanden Berghe
In 1987 verscheen mijn eerste boek over de Koude Oorlog. Ik noemde het een kroniek en het bevatte 173 pagina’s. De Koude Oorlog was toen nog bezig en daarom volgde in 1991 een nieuwe studie die ook het einde van de Koude Oorlog analyseerde. In 1995 en 2002 volgden nieuw herwerkte en vermeerderde uitgaven. Deze werden gevoed door snel openbaar wordende archieven in zowel Oost en West. Een trend die zich op een versnelde manier doorzet. De studie van de Koude Oorlog is een volwaardige academische en wetenschappelijke bedrijvigheid geworden die vele honderden beoefenaars in alle continenten kent. Drie internationale wetenschappelijke tijdschriften Cold War History, Diplomatic History en Journal of Cold War Studies publicerenhoofdzakelijk over de Koude Oorlog. Daarnaast bestaan machtige onderzoeksinstellingen zoals Cold War International History Project en het Parallel History Project on Cooperative Security en andere die massa’s publicaties en documenten publiceren. Deze en ook de vele monografieën groeien aan in een exponentiële reeks.
Deze vijfde uitgave telt 150 pagina’s meer dan de voorgaande. Meer dan 1500 correcties of aanvullingen zijn aangebracht. De bibliografie is met honderden titels aangevuld. Nieuw ook zijn de bijdragen van de eminente specialisten Doeko Bosscher
(Groningen) en Rik Coolsaet (Gent) over Nederland en België tijdens de Koude Oorlog.

Yvan Vanden Berghe, januari 2008.
Meer info over deze vijfde volledig herziene uitgave, en over hoe te bestellen:

De Koude Oorlog. Een nieuwe geschiedenis (1917-1991) – Meer info

Lees de recensies die over dit boek verschenen. Klik hier.

Yvan Vanden Berghe is emeritus gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. Hij richtte er de afstudeerrichting Internationale Politiek op die hij meer dan twintig jaar leidde. Hij doceerde ook aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Universiteit Hasselt. Hij gaf meerdere gastcolleges aan Nederlandse Universiteiten en was redacteur van de Internationale Spectator. Doeko Bosscher is hoogleraar in de Eigentijdse Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Rik Coolsaet is hoogleraar in de Internationale Betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Gent.

Yvan Vanden Berghe kan bereikt worden via yvan.vandenberghe@telenet.be of telefonisch op het nummer +32 (0)476 24 71 25.

Moedertje Rusland

maandag, 28 januari 2008

Gepubliceerd in Punt, 19 maart 2002, p. 58

Wij durven het zo moeilijk toegeven, maar het gaat niet goed met moedertje Rusland. Alles wat daar vroeger verkeerd liep zoals de economische achterstand, de corruptie, het grimmige regime was de schuld van de vermaledijde Russische variant van het marxisme. De oplossing lag voor de hand: open een vrije markt, installeer de democratie en alles loopt op wieltjes. Lees meer »